| 1 | T. S. M. | |
| |
| 2 | Dit zijn de teekens van het duidelijke boek. | |
| |
| 3 | Misschien bedroeft gij u doodelijk, omdat de bewoners van Mekka niet geloovig willen worden. | |
| |
| 4 | Indien het ons behaagde, zouden wij hun een overtuigend teeken uit den hemel kunnen nederzenden, waarvoor zij hunne nekken nederig zouden krommen. | |
| |
| 5 | Maar er komt van den Barmhartige, geene nieuwe vermaning tot hen welke naar de omstandigheden dit vereischen, wordt geopenbaard, waarvan zij zich niet afwenden. | |
| |
| 6 | En zij hebben deze van valschheid beschuldigd; maar er zal een boodschap tot hen komen, waarmede zij niet zullen spotten. | |
| |
| 7 | Hebben zij de aarde niet beschouwd, en gezien hoe veel verschillende planten, van allerlei edele soorten wij daaraan doen ontspruiten? | |
| |
| 8 | Waarlijk, hierin is een teeken; maar het grootste deel hunner zijn ongeloovigen. | |
| |
| 9 | Waarlijk, uw Heer is de machtige, de barmhartige God. | |
| |
| 10 | Herdenk, toen uw Heer Mozes riep, zeggende: Ga tot het onrechtvaardige volk: | |
| |
| 11 | Het volk van Pharao. Zullen zij mij niet vreezen? | |
| |
| 12 | Mozes antwoordde: O Heer! waarlijk, ik vrees, dat zij mij van logen zullen beschuldigen. | |
| |
| 13 | En dat mijne borst vernauwd worde en dat mijn tong niet gereed zij tot spreken; wijs Aäron dus aan om mijn helper te wezen. | |
| |
| 14 | Ook kunnen zij mij eene misdaad tegenwerpen, en ik vrees dat zij mij zullen dooden. | |
| |
| 15 | God zeide: Zij zullen u volstrekt niet dooden: gaat dus met uwe teekenen; want wij zullen met u zijn, en wij willen hooren wat er tusschen u en hen geschiedt. | |
| |
| 16 | Gaat dus tot Pharao en zeg: Waarlijk, wij zijn de gezant van den Heer van alle schepselen. | |
| |
| 17 | Zend de kinderen Israëls met ons weg. | |
| |
| 18 | En toen zij hunne boodschap hadden overgebracht, antwoordde Pharao: Hebben wij u niet onder ons opgevoed, toen gij nog een kind waart, en hebt gij niet gedurende verscheidene jaren van uw leven onder ons gewoond? | |
| |
| 19 | Gij hebt de daad bedreven, welke gij bedreven hebt; en gij zijt een ondankbare. | |
| |
| 20 | Mozes hernam: Inderdaad, ik deed het, en ik was een van hen die dwaalden. | |
| |
| 21 | Daarom ontvluchtte ik u, dewijl ik u vreesde; maar mijn Heer heeft mij wijsheid geschonken en mij tot een zijner gezanten aangewezen. | |
| |
| 22 | En is de gunst, welke gij mij hebt geschonken, dat gij de kinderen Israëls tot slaven maaktet? | |
| |
| 23 | Pharao zeide: En wie is dan de Heer van alle schepselen? | |
| |
| 24 | Mozes antwoordde: de Heer van alle hemel en aarde en van alles wat daartusschen is; indien gij lieden van verstand zijt. | |
| |
| 25 | Pharao zeide tot degenen, die in zijne nabijheid waren: Hoort gij niet? | |
| |
| 26 | Mozes zeide: Uw Heer en de Heer uwer voorvaderen. | |
| |
| 27 | Pharao zeide tot hen die tegenwoordig waren: Uw gezant, die tot u werd gezonden is zeker bezeten. | |
| |
| 28 | Mozes zeide: de Heer van het Oosten en van het Westen en van alles wat daartusschen is; indien gij lieden van verstand zijt. | |
| |
| 29 | Pharao zeide tot hem: Waarlijk, indien gij een anderen God naast mij kiest, zal ik u gelijk doen wezen aan hen die gevangen zijn. | |
| |
| 30 | Mozes antwoordde: Wat! niettegenstaande ik met een overtuigend wonder tot u kom? | |
| |
| 31 | Pharao hernam: Toon het dan, indien gij de waarheid spreekt. | |
| |
| 32 | En hij wierp zijn staf neder, en ziet deze werd eene zichtbare slang. | |
| |
| 33 | En hij trok zijne hand uit zijne borst en, ziet, zij was wit voor de toeschouwers, | |
| |
| 34 | Pharao zeide tot de vorsten, die in zijne nabijheid waren: Waarlijk, deze man is een behendige toovenaar. | |
| |
| 35 | Hij tracht u door zijne tooverij het bezit van u land te ontrooven: wat denkt gij dus te doen? | |
| |
| 36 | Zij antwoordden: Stel hem en zijn broeder door goede woorden voor eenigen tijd uit, en zend mannen in de steden, die verzamelen. | |
| |
| 37 | En tot u brengen alle behendige toovenaren. | |
| |
| 38 | Zoo werden de toovenaren op een bepaalden tijd, op een plechtigen dag bijeenvergaderd. | |
| |
| 39 | En tot het volk werd gezegd: Zijt gij bijeenvergaderd? | |
| |
| 40 | Ja, antwoordde het volk onder zich, en wij zullen de toovenaren volgen, indien zij de overwinning behalen. | |
| |
| 41 | Toen de toovenaars gekomen waren, zeiden zij tot Pharao: zullen wij zekerlijk eene belooning ontvangen, indien wij de overwinning behalen? | |
| |
| 42 | Hij antwoordde: Ja, en gij zult mijn persoon mogen naderen. | |
| |
| 43 | Mozes zeide tot hen: Werpt neder wat gij neder te werpen hebt. | |
| |
| 44 | Daarop wierpen zij hunne koorden en hunne staven neer, en zeiden: Waarlijk, door de macht van Pharao zullen wij de overwinnaars zijn. | |
| |
| 45 | En Mozes wierp zijn staf neder, en ziet, de staf verzwolg wat zij valschelijk hadden uitgedacht. | |
| |
| 46 | Daarop wierpen zich de toovenaars biddend neder | |
| |
| 47 | En zeiden: Wij gelooven in den Heer van alle schepselen. | |
| |
| 48 | De Heer van Mozes en Aäron. | |
| |
| 49 | Pharao zeide tot hen: Hebt gij in hem geloofd, voor ik u verlof heb gegeven? Waarlijk hij is uw hoofd, die u de tooverij heeft geleerd; maar later zult gij zeker mijne kracht kennen. Ik zal uwe handen en uwe voeten aan de tegenovergestelde zijden afsnijden, en ik zal u allen doen kruisigen. | |
| |
| 50 | Zij antwoorden: Dit zal geen nadeel voor ons zijn; want wij zullen tot onzen Heer terugkeeren. | |
| |
| 51 | Wij hopen dat onze Heer ons onze zonden zal vergeven, ons die de eersten waren welke geoorloofd hebben. | |
| |
| 52 | En wij spraken door openbaring tot Mozes, zeggende: Trek voort met mijne dienaren, des nachts; want gij zult vervolgd worden. | |
| |
| 53 | En Pharao zond beambten in de steden om strijdkrachten te verzamelen | |
| |
| 54 | Zeggende: Waarlijk de Israëlieten maken slechts eene kleine hoop volk uit. | |
| |
| 55 | En zij zijn verwoed op ons. | |
| |
| 56 | Maar wij vormen eene welvoorziene menigte. | |
| |
| 57 | Zoo deden wij hun hunne tuinen, hunne fonteinen, | |
| |
| 58 | Hunne schatten en heerlijke woningen verlaten. | |
| |
| 59 | Zoo deden wij, en wij deden die den kinderen Israëls erven. | |
| |
| 60 | En zij vervolgden hen bij het opgaan der zon. | |
| |
| 61 | En toen de beide legers in elkanders gezicht waren gekomen, zeiden de makkers van Mozes: Wij zullen zekerlijk worden overwonnen. | |
| |
| 62 | Mozes antwoordde: Volstrekt niet: want mijn Heer is met mij; hij zal mij zekerlijk leiden. | |
| |
| 63 | En wij bevalen Mozes door openbaring, zeggende: Sla de zee met uwen staf. En toen hij haar had geslagen werd zij in twaalf afdeelingen verdeeld; ieder deel, dat een pad was, scheen een groote berg. | |
| |
| 64 | En wij lieten de anderen naderen. | |
| |
| 65 | En wij bevrijdden Mozes en allen die met hem waren. | |
| |
| 66 | Daarna verdronken wij de anderen. | |
| |
| 67 | Waarlijk daarin was een teeken; maar het grootste aantal hunner geloofden niet. | |
| |
| 68 | Waarlijk, uw Heer is de machtige en de barmhartige. | |
| |
| 69 | En herinner hun de geschiedenis van Abraham. | |
| |
| 70 | Toen hij tot zijnen vader en zijn volk zeide: Wat aanbidt gij? | |
| |
| 71 | Zij antwoordden: Wij aanbidden afgoden, en wij dienen deze alle dagen met standvastigheid. | |
| |
| 72 | Abraham zeide: Hooren zij u als gij hen aanroept? | |
| |
| 73 | Of bevoordeelen, noch deren zij u? | |
| |
| 74 | Zij antwoordden: Neen; maar wij zagen dat onze vaderen hetzelfde deden. | |
| |
| 75 | Hij zeide: Wat denkt gij: De goden die gij aanbidt. | |
| |
| 76 | En welke door uwe voorvaderen werden aangebeden. | |
| |
| 77 | Zijn mijne vijanden, behalve slechts de Heer van alle schepselen. | |
| |
| 78 | Die mij heeft geschapen en mij op den rechten weg leidt. | |
| |
| 79 | En die mij geeft te eten en te drinken; | |
| |
| 80 | En die mij geneest als ik ziek ben; | |
| |
| 81 | En die mij zal doen sterven en mij daarna tot het leven zal terugbrengen. | |
| |
| 82 | En die, naar ik hoop, mij mijne zonden op den dag des oordeels zal vergeven. | |
| |
| 83 | O Heer! verleen mij wijsheid en vereenig mij met de rechtvaardigen. | |
| |
| 84 | En geef, dat nog de laatste nakomelingschap met eer van mij spreke; | |
| |
| 85 | En maak mij tot een erfgenaam van den tuin der heerlijkheid; | |
| |
| 86 | En vergeef mijn vader die tot de afdwalenden heeft behoord. | |
| |
| 87 | En bedek mij niet met schande op den dag der opstanding; | |
| |
| 88 | Op den dag, waarop noch rijkdommen, noch kinderen van eenig voordeel zullen kunnen zijn. | |
| |
| 89 | Behalve voor hem, die met een oprecht hart tot God zal komen; | |
| |
| 90 | Als het paradijs voor het gezicht der vromen gebracht zal worden. | |
| |
| 91 | En de hel geheel zal verschijnen voor hen die gedwaald zullen hebben; | |
| |
| 92 | En tot hen zal gezegd worden: Waar zijn uwe godheden, | |
| |
| 93 | Welke gij naast God dient? Zullen zij u van straf bevrijden, of zullen zij zich zelven bevrijden? | |
| |
| 94 | En zij zullen in de hel geworpen worden; zoowel zij, als diegenen, welke tot hunne aanbidding werden verleid, | |
| |
| 95 | En het geheele heir van Eblis. | |
| |
| 96 | De verleiden zullen daar met hunne valsche goden twisten, zeggende: | |
| |
| 97 | Bij God, wij verkeerden in eene duidelijke dwaling. | |
| |
| 98 | Toen wij u met den Heer van alle schepselen gelijk stelden. | |
| |
| 99 | De zondaren alleen hebben ons verleid. | |
| |
| 100 | Thans hebben wij geene tusschentreders. | |
| |
| 101 | Noch eenigen vriend die voor ons zorgt. i | |
| |
| 102 | Indien het ons veroorloofd ware, nog slechts eenmaal in de wereld terug te keeren, zouden wij zekerlijk ware geloovigen worden. | |
| |
| 103 | Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste gedeelte hunner gelooven niet. | |
| |
| 104 | Uw Heer is de machtige, de barmhartige. | |
| |
| 105 | Het volk van Noach beschuldigde Gods zendingen van bedrog. | |
| |
| 106 | Toen hun broeder Noach tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen? | |
| |
| 107 | Waarlijk, ik ben een geloofbare boodschapper voor u. | |
| |
| 108 | Vreest dus God en gehoorzaamt mij. | |
| |
| 109 | Ik vraag geene belooning van u voor mijne prediking tot u; ik verwacht mijne belooning slechts van den Heer van alle schepselen. | |
| |
| 110 | Vreest dus God en gehoorzaamt mij. | |
| |
| 111 | Zij antwoorden: Zullen wij u gelooven, die alleen door de laagsten uit het volk gevolgd wordt? | |
| |
| 112 | Noach zeide: Ik heb geene kennis van hetgeen zij deden. | |
| |
| 113 | Zij zijn mijn Heer alleen rekenschap verschuldigd; begreept gij dit slechts! | |
| |
| 114 | Daarom zal ik de geloovigen niet verdrijven. | |
| |
| 115 | Ik ben slechts een openbaar prediker. | |
| |
| 116 | Zij hernamen: Zekerlijk, o Noach! indien gij niet ophoudt op deze wijze te handelen zult gij gesteenigd worden. | |
| |
| 117 | Hij zeide: O Heer! waarlijk, mijn volk houdt mij voor een leugenaar. | |
| |
| 118 | Richt dus in het openbaar tusschen mij en hen, en bevrijd mij en de ware geloovigen, die met mij zijn, | |
| |
| 119 | Daarom bevrijdden wij hem, en degenen, die met hem waren in de ark, met menschen en dieren gevuld. | |
| |
| 120 | En daarom verdronken wij de overigen. | |
| |
| 121 | Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet. | |
| |
| 122 | Uw Heer is de machtige, de barmhartige, | |
| |
| 123 | De stam van Ad beschuldigde Gods boodschapper van logen. | |
| |
| 124 | Toen hun broeder Hud tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen? | |
| |
| 125 | Waarlijk, ik ben een geloofbaar boodschapper tot u. | |
| |
| 126 | Vreest dus God en gehoorzaamt mij. | |
| |
| 127 | [ik vraag van u geenerlei belooning voor mijne prediking tot u; ik verwacht mijne belooning slechts van den Heer van alle schepselen. | |
| |
| 128 | Bouwt gij een scheidspaal op iedere hoog gelegen plaats, om u te vermaken? | |
| |
| 129 | En richt gij prachtige werken op, in de hoop die eeuwig te bezitten? | |
| |
| 130 | En als gij uwe macht uitoefent, oefent gij die met onbarmhartigheid en gestrengheid uit. | |
| |
| 131 | Vreest God, door deze dingen te verlaten en gelooft mij]. | |
| |
| 132 | En vreest hem, die u datgene heeft geschonken, wat gij kent. | |
| |
| 133 | Hij heeft u vee geschonken en kinderen; | |
| |
| 134 | En tuinen en fonteinen. | |
| |
| 135 | Waarlijk, ik vrees voor u de straf van een gestrengen dag. | |
| |
| 136 | Zij antwoordden: Het is ons gelijk, of gij ons al dan niet vermaant. | |
| |
| 137 | Wat gij ons predikt is slechts een verzinsel der ouden. | |
| |
| 138 | Nimmer zullen wij gestraft worden voor hetgeen wij hebben gedaan. | |
| |
| 139 | En zij beschuldigden hem van bedrog, en daarom verdelgden wij hen. Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet. | |
| |
| 140 | Uw Heer is de machtige, de barmhartige. | |
| |
| 141 | De stam van Thamoed beschuldigde Gods gezanten eveneens van leugen. | |
| |
| 142 | Toen hun broeder Saleh tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen? | |
| |
| 143 | Waarlijk, ik ben een geloovig boodschapper voor u. | |
| |
| 144 | Vreest dus God en gehoorzaamt mij. | |
| |
| 145 | Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking tot u: ik verwacht mijne belooning van niemand anders dan van den Heer van alle schepselen. | |
| |
| 146 | Zult gij altijd in het zekere bezit blijven van de dingen die hier zijn, | |
| |
| 147 | Waaronder tuinen en fonteinen. | |
| |
| 148 | En korenvelden en palmboomen, wier takken met bloemen zijn beladen? | |
| |
| 149 | En wilt gij voortgaan, u woningen uit de bergen te houwen, terwijl gij u onbeschaamd gedraagt? | |
| |
| 150 | Vreest God en gehoorzaamt mij. | |
| |
| 151 | En gehoorzaamt niet het bevel der zondaren. | |
| |
| 152 | Die snood op aarde handelen, en die zich niet verbeteren. | |
| |
| 153 | Zij antwoordden: Waarlijk, gij zijt bezeten. | |
| |
| 154 | Gij zijt slechts een mensch gelijk wij; toon ons een teeken indien gij de waarheid spreekt. | |
| |
| 155 | Saleh zeide: Deze wijfjes-kameel zal u een teeken zijn, zij zal haar deel water hebben en gij zult beurtelings uw deel water hebben op een zekeren, voor u bepaalden dag. | |
| |
| 156 | En deer haar niet, opdat u de straf van een vreeselijken dag niet worde opgelegd. | |
| |
| 157 | Maar zij doodden haar en berouwden hunne boosheid. | |
| |
| 158 | Want de straf, waarmede zij bedreigd waren geworden, overviel hen. Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel van hen geloofde niet. | |
| |
| 159 | Uw Heer is de machtige, de genadige. | |
| |
| 160 | Het volk van Lot beschuldigde Gods boodschappers eveneens van bedrog. | |
| |
| 161 | Toen hun broeder Lot tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen? | |
| |
| 162 | Waarlijk, ik ben een geloofbaar boodschapper tot u. | |
| |
| 163 | Vreest dus God en gehoorzaamt mij. | |
| |
| 164 | Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking: Ik verwacht mijne belooning van geen ander dan van den Heer van alle schepselen. | |
| |
| 165 | Nadert gij de mannelijke wezens onder de menschen. | |
| |
| 166 | En verlaat gij uwe vrouwen, die uw Heer voor u heeft geschapen. Waarlijk, gij zijt zondaren. | |
| |
| 167 | Zij zeiden: Indien gij zoo voortgaat, o Lot! zult gij zekerlijk uit onze stad worden verdreven. | |
| |
| 168 | Hij zeide: Waarlijk, ik behoor tot hen, die uwe daden verfoeien. | |
| |
| 169 | O Heer! bevrijd mij en mijn gezin van hetgeen zij bedrijven. | |
| |
| 170 | Daarom bevrijdden wij hem en zijn geheel gezin. | |
| |
| 171 | Behalve eene oude vrouw, zijnde zijne vrouw, die omkwam met hen die achtergebleven waren. | |
| |
| 172 | Daarna verdelgden wij de overigen. | |
| |
| 173 | En wij deden eene bui van steenen op hen nederregenen, en vreeselijk was de regenbui die op degenen nederviel, welke te vergeefs waren gewaarschuwd. | |
| |
| 174 | Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet. | |
| |
| 175 | Uw Heer is de machtige, de genadige. | |
| |
| 176 | Ook de bewoners van het woud beschuldigden Gods gezanten van bedrog. | |
| |
| 177 | Toen Shoaib tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen? | |
| |
| 178 | Waarlijk ik ben een geloovig boodschapper voor u. | |
| |
| 179 | Vreest dus God en gehoorzaamt mij. | |
| |
| 180 | Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking; ik verwacht mijne belooning van niemand anders dan van den Heer van alle schepselen. | |
| |
| 181 | Geeft juist gewicht en weest geene bedriegers. | |
| |
| 182 | En weegt met een gelijke weegschaal. | |
| |
| 183 | En vermindert niet wat den menschen toekomt; bedrijft geen geweld op aarde; en handelt niet slecht. | |
| |
| 184 | En vreest hem die u en de vroegere geslachten heeft geschapen. | |
| |
| 185 | Zij antwoordden: Waarlijk gij zijt bezeten. | |
| |
| 186 | Gij zijt niets meer dan een mensch gelijk wij en waarlijk, wij houden u voor een leugenaar. | |
| |
| 187 | Doe thans een deel van den hemel op ons nedervallen, indien gij de Waarheid spreekt. | |
| |
| 188 | Shoaib zeide. Mijn Heer weet het beste wat gij doet. | |
| |
| 189 | En zij beschuldigden hen van bedrog; daarom overviel hen de straf van den dag der schaduwgevende wolk, en dit was de straf van den vreeselijken dag. | |
| |
| 190 | Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet. | |
| |
| 191 | Uw Heer is de machtige, de barmhartige. | |
| |
| 192 | Dit boek is zekerlijk eene openbaring van den Heer van alle schepselen. | |
| |
| 193 | Welke de getrouwe geest op uw hart heeft doen nederdalen. | |
| |
| 194 | Opdat gij een prediker voor uw volk zoudt zijn, | |
| |
| 195 | In de duidelijke Arabische taal. | |
| |
| 196 | Waarvan de getuigenis door de schriften van vroegere tijden wordt geleverd. | |
| |
| 197 | Was het geen teeken voor hen, dat de wijze mannen onder de kinderen Israëls die kenden? | |
| |
| 198 | Hadden wij het aan een der vreemdelingen geopenbaard. | |
| |
| 199 | En hij zou het hun hebben voorgelezen, dan zouden zij daaraan niet hebben willen gelooven. | |
| |
| 200 | Zoo deden wij hardnekkig ongeloof in de harten der zondaren binnentreden. | |
| |
| 201 | Zij zullen daarin niet gelooven, dan nadat zij eene pijnlijke straf hebben gezien. | |
| |
| 202 | Deze zal plotseling over hen komen, en zij zullen deze niet voorzien. | |
| |
| 203 | En zij zullen zeggen: zal ons uitstel worden verleend? | |
| |
| 204 | Verlangen zij dus dat onze straf zal worden verhaast? | |
| |
| 205 | Wat denkt gij? Indien wij hun toestaan het voordeel van dit leven voor vele jaren te genieten. | |
| |
| 206 | En datgene, waarmede zij bedreigd werden, later over hen komt. | |
| |
| 207 | Wat zal het hen van voordeel zijn, wat zij hebben genoten? | |
| |
| 208 | Wij hebben geene stad verwoest, dan nadat er vooraf gezanten waren heengezonden. | |
| |
| 209 | Ten einde de bewoners daarvan te waarschuwen, ook behandelden wij hen niet onrechtvaardig. | |
| |
| 210 | De duivelen daalden niet neder met den Koran, zooals de ongeloovigen voorgeven; | |
| |
| 211 | Dat komt niet overeen met hun doel; ook zijn zij niet in staat zulk een boek voort te brengen. | |
| |
| 212 | Want zij zijn er ver van verwijderd, het gesprek der engelen in den hemel te hooren. | |
| |
| 213 | Roep geen anderen god met den waren God aan, opdat gij niet tot een van hen wordet, die ter straffe zijn gedoemd. | |
| |
| 214 | En vermaan uwe naaste betrekkingen. | |
| |
| 215 | En gedraag u met zachtmoedigheid omtrent de ware geloovigen die u volgen. | |
| |
| 216 | En indien zij ongehoorzaam omtrent u zijn, zeg dan: Waarlijk ik ben zuiver van hetgeen gij doet. | |
| |
| 217 | En vertrouw in den machtigsten, den barmhartigsten God. | |
| |
| 218 | Die u ziet als gij opstaat, | |
| |
| 219 | En uw gedrag onder hen die aanbidden; | |
| |
| 220 | Want hij ziet en hoort alles. | |
| |
| 221 | Zal ik u verklaren op wie de duivelen nederdalen? | |
| |
| 222 | Zij dalen neder op iederen leugenachtigen en zondigen persoon. | |
| |
| 223 | Zij leeren wat gehoord is geworden, maar het grootste deel hunner zijn leugenaars. | |
| |
| 224 | En zij die dwalen, volgen de stappen der dichters. | |
| |
| 225 | Ziet gij niet dat zij, als van hunne zinnen beroofd, door iedere vallei wandelen? | |
| |
| 226 | En dat zij zeggen, wat zij niet doen? | |
| |
| 227 | Behalve zij die gelooven en goede werken doen en God dikwijls herdenken. En die zich zelven verdedigen, nadat zij onrechtvaardig zijn behandeld geworden; terwijl zij die onrechtvaardig handelen, hierna zullen weten, welke handeling zij te wachten hebben. | |
| |