| 1 | Bij de winden, die het stof verspreiden en verstrooien. | |
| |
| 2 | En bij de wolken, die een last van regen dragen; | |
| |
| 3 | Bij de schepen, die de zee snel doorklieven. | |
| |
| 4 | En bij de engelen, die dingen uitdeelen, noodig voor het onderhoud van alle schepselen | |
| |
| 5 | Inderdaad, datgene waarmede gij bedreigd zijt, is zekerlijk waar, | |
| |
| 6 | En het laatste oordeel zal gewis komen. | |
| |
| 7 | Bij den hemel met paden voorzien. | |
| |
| 8 | Gij verschilt zeer in hetgeen gij zegt. | |
| |
| 9 | Men zal zich afwenden van dengeen, die van het ware geloof is afgekeerd! | |
| |
| 10 | Vervloekt mogen de leugenaars zijn. | |
| |
| 11 | Die in diepe wateren van onwetendheid waden, terwijl zij hun heil verwaarloozen. | |
| |
| 12 | Zij vragen: Wanneer zal de dag des oordeels komen? | |
| |
| 13 | Op dien dag zullen zij in het hellevuur verbrand worden. | |
| |
| 14 | En men zal tot hen zeggen: Proeft uwe straf; dit is hetgeen gij verlangd hebt, dat verhaast zou worden. | |
| |
| 15 | Maar de vromen zullen tusschen tuinen en fonteinen wonen. | |
| |
| 16 | Datgene ontvangende, wat hun Heer hun zal geven, omdat zij vóór dezen dag rechtvaardigen waren. | |
| |
| 17 | Zij slapen slechts gedurende een klein gedeelte van den nacht. | |
| |
| 18 | En vroeg in den ochtend vragen zij vergiffenis van God. | |
| |
| 19 | Een voegzaam deel van hunne welvaart werd hem gegeven, die vroeg, en aan hem, die door schaamte teruggehouden werd te vragen. | |
| |
| 20 | Er zijn teekenen van goddelijke macht en goedheid op de aarde, voor de menschen van goed begrip. | |
| |
| 21 | Ook in u zelven: zult gij dus niet overwegen? | |
| |
| 22 | Uw onderhoud is in den hemel; en evenzeer bevat hij datgene, wat u werd beloofd. | |
| |
| 23 | Daarom zweer ik bij den Heer van hemel en aarde, dat dit zekerlijk de waarheid is; overeenkomstig datgene, wat gij zelf zegt. | |
| |
| 24 | Is de geschiedenis van Abraham's geachte gasten niet tot uwe kennis gekomen? | |
| |
| 25 | Toen zij tot hem ingingen en zeiden: Vrede? antwoordde hij: Vrede! bij zich zelven zeggende: Dit zijn onbekende menschen. | |
| |
| 26 | En hij ging heimelijk tot zijn gezin, en bracht een gemest kalf. | |
| |
| 27 | Hij zette het voor hen neder, en toen hij zag, dat zij het niet aanraakten, zeide hij: Eet gij niet? | |
| |
| 28 | En hij begon vrees voor hen te koesteren. Zij zeiden: Vrees niet, en zij verklaarden hem de belofte van een wijzen zoon. | |
| |
| 29 | Zijne vrouw kwam nader; zij gaf een gil, sloeg zich in het aangezicht, en zeide ik ben een oude vrouw en onvruchtbaar! | |
| |
| 30 | De engelen zeiden: Dit zeide uw Heer; en waarlijk, hij is de Wijze, de Alwetende. | |
| |
| 31 | En Abraham zeide tot hen: wat is dus uwe boodschap, o gezanten van God? | |
| |
| 32 | Zij antwoordden: waarlijk, wij worden tot een zondig volk gezonden. | |
| |
| 33 | Opdat wij steenen van gebakken klei op hen zouden nederzenden. | |
| |
| 34 | Gemerkt door uwen Heer, ter verdelging der zondaren. | |
| |
| 35 | En wij telden de ware geloovigen, die in de stad waren. | |
| |
| 36 | Maar wij vonden niet meer, dan één gezin van Moslems. | |
| |
| 37 | Wij verwoesten hen, en lieten een teeken aldaar, voor hen, die de ernstige kastijding van God vreezen. | |
| |
| 38 | In Mozes was mede een teeken, toen Hij hem met duidelijke macht tot Pharao zond. | |
| |
| 39 | Maar deze wendde zich met zijne vorsten af, zeggende: Deze man is een toovenaar of een bezetene. | |
| |
| 40 | Daarom grepen wij hem en zijne soldaten en wierpen hen in de zee: en hij was waard gestrafd te worden. | |
| |
| 41 | En in den stam van Ad was mede een teeken, toen wij een verwoestenden wind tegen hen zonden. | |
| |
| 42 | Die niets aanraakte, waar hij nederkwam, of hij verwoeste het, als een verrot voorwerp, en maakte het tot stof. | |
| |
| 43 | In Thamoed was eveneens een teeken toen er tot hem werd gezegd: Geniet alles gedurende eenigen tijd. | |
| |
| 44 | Maar zij schonden onbeschaamd het bevel van hunnen Heer, waardoor hen een vreeselijk onweder van den hemel overviel, terwijl zij daarheen blikten. | |
| |
| 45 | Zij waren niet in staat op hunne voeten te staan, evenmin als zij zich van de verdediging konden redden. | |
| |
| 46 | En het volk van Noach verdelgden wij voor dezen; want het was een volk, dat vreeselijk zondigde. | |
| |
| 47 | Wij hebben den hemel met macht gebouwd, en dien eene groote uitgebreidheid gegeven. | |
| |
| 48 | Wij hebben de aarde daaronder uitgebreid, en hoe gelijkmatig hebben wij dit gedaan. | |
| |
| 49 | En van alle dingen hebben wij twee soorten geschapen, opdat gij wellicht zoudt overwegen. | |
| |
| 50 | Vlucht dus tot God; waarlijk, ik ben een openlijk waarschuwer van Hem onder u. | |
| |
| 51 | Aanbidt geene andere goden behalve uwen Heer. Ik bericht u dit duidelijk uit zijn naam | |
| |
| 52 | Op dezelfde wijze kwam er geen gezant tot hunne voorgangers of zij zeiden: Deze man is een toovenaar of een bezetene. | |
| |
| 53 | Hebben zij dit gedrag achtervolgens elkander als erfdeel vermaakt? Ja; zij zondigen vreeselijk. | |
| |
| 54 | Houdt u dus van hen af, en gij zult vrij van blaam zijn, indien gij aldus handelt. | |
| |
| 55 | Maar ga voort met vermanen; want vermaning is den waren geloovigen van voordeel. | |
| |
| 56 | Ik heb de geniussen en menschen met geen ander doel geschapen, dan opdat zij mij zouden dienen. | |
| |
| 57 | Ik eisch geenerlei onderhoud van hen; evenmin verlang ik, dat zij mij zullen voeden. | |
| |
| 58 | Waarlijk, God is degene, die alle schepselen voorziet, en die een aanzienlijke macht bezit. | |
| |
| 59 | Aan hen die onzen gezant beleedigden, zal een deel gegeven worden, gelijk aan het deel van hen, die zich in vroegere tijden, evenals zij hebben gedragen; en zij zullen niet wenschen, dat dit verhaast worde. | |
| |
| 60 | Wee dus over de ongeloovigen, om hunnen dag, waarmede zij zijn bedreigd! | |
| |